Uit 27 Gedichten & Geen lied (2000) - 2
Fragment 2 uit Geen lied
Onder een zee schuifelt een dode romp,
Die aan een hoofd tegen de bodem hangt.
Een doffe romp is het. Er kringelen
Vier pijlinktvissen uit de zwarte randen.
Om hem te stelpen hebben ze misschien
Zichzelf erin geboord. Als astronaut
Bewegen ze hem voort langs alle resten.
Misschien heeft hij de bodem afgeploegd
Om haar in de tentakels op te sluiten.
Hij zwalkt haar oude hoofd voorbij. De mond
Die in een boei omhoog te wachten ligt.
Twee schelpen. Twee lang afgekoelde parels.
Twee dode zeeslangen. Dood golvend wier.
Een dode steen, waarop twee anemonen
Zich hebben vastgezet. Ze bloeien soms
Volledig open als een zoute vrucht.
Langzaam beweegt hij zich omlaag en aarzelt:
Zijn hoofd, dat hij wil leggen aan het einde
Van wat haar benen kunnen zijn geweest.
Hij wil met zijn kapotte hoofd haar kussen,
Haar aanstippen, ontvlammen doen. Misschien
Hoopt hij, de romp, op lichtgevende visjes,
Op één desnoods. Hij wil dat zij begint
En kust haar strak op de allerkleinste teen,
Die opstuift in een vlammetje van gas,
Dun gas als een saffier diep donkerblauw.
Een blauwe vlam. Een tweede teen begint.
Vijf blauwe vlammetjes glippen naar binnen
En als hij de andere allerkleinste teen
Ook met zijn stenen lippen wakkerkust,
Begint deze te gloeien tot een kroon
Van azuriet opflakkert in het duister;
Een blauwvuur dat hij zacht heeft ingefluisterd,
Dat flinterdunne nerven langzaam opvult
Vanuit de tenen. Blauw wordt violet,
Terwijl het opkruipt, traag, in bundeltjes
Die uitkomen op iets grotere bundels
En aders worden. Purper. Purperrood.
Het gloeit en telkens sluiten nieuwe stromen
Aan op een in oranje badend licht.
In lange trossen komen ze nu samen,
Eerst stralend als topaas en dan als zwavel.
Helgele vaten banen zich een weg
Over de bodem. Waar haar benen waren,
Kijkt hij nu roerloos toe, hoe twee kolommen
Van licht elkaar almaar versnellend naderen,
Hoe ze omhoog schieten in bredere stralen,
Zijn twee elkaar verbrandende komenten,
Twee sterren, hoe ze elkaar verpletteren
En open barst een nieuwe monsterzon.
Een vloeiend bekken komt eruit geboren.
Een bekken dat zich openspreidt en inkrimpt,
Terwijl het stollen, langzaam stollen moet.
Zo ligt ze, een kronkelende dikke stof
En al het warme, halfgesmolten puin
Daarboven. De brokstukken van een wonder.
Het bovenlichaam als een bijgeboorte.
Het allerzachtste sieraard. Roze rook.
Een zoete koek. De ringen van Saturnus.
Alles ligt open en terwijl ze stolt:
Een hand die onder het sissende bekken
Doorschuift, voorlangs, langzaam tussen haar benen
Haar rug van onderen aftast; de wervels,
Die nog als kraakbeen aanvoelen en heet.
Een inbreker achter het vel. Mijn hand
Rondom de naakte schijven trekt ze zacht
Los uit de massa, knipt het bekken los,
Plukt één voor één de gladde ribben af,
Verwijdert dan voorzichtig de gewrichten.
Zo week, maar niet meer breekbaar lig je hier:
Twee lichtgenerfde transparante benen,
Het hete witte bekken zonder vorm
En jouw slapende bovenlijf van vlees,
Dat ik volledig in mijn armen houd.
Mijn arm steekt als een danser in je rug.
Een hoofd, twee armen cirkelen naar binnen.
Ik kom je strakgetrokken vel bewonen
En als ik in het bekken ben gestapt,
Zij allebei mijn benen weggesmolten;
Twee lijven komen samen in ons midden.
Niets onder ons dan wij, niets tussen ons.
Want op lichtwegen staan we, dat het brandt
Van binnen dat ik schreeuw dankzij jouw mond.
Coloraturen schieten links en rechts.
We zingen rond, terwijl we stappen zetten
En zingen en op elektriciteit
Stuiten - een koude flits - dan nog een flits.
En dan een nieuwe ruimte. (…)