onze-lieve-vrouwe-zeppelin (2006)
De Morgen
Door: Paul Demets
De controverse rond Ramsey Nasr heeft de politiek en de media duidelijk gemaakt dat dichters niet zomaar teksten afleveren als ‘tijdverdrijf voor enkele fijne luiden’, maar dat ze wel degelijk iets te vertellen hebben.
Nog voor Ramsey Nasr in 2005 stadsdichter van Antwerpen werd, zorgde hij al voor aangename verwarring. Hij debuteerde in 2000 met 27 Gedichten & Geen lied. De laatste tekst, ‘Geen lied’, is een lang episch gedicht, maar het zou ook een theatermonoloog kunnen zijn. En als er al één overkoepelend kenmerk voor Nasrs gedichten is, dan wel dat zijn poëzie heel muzikaal is. Nasr gebruikt een klassiek metrum, maar geeft daar een eigentijdse draai aan. In 2001 publiceerde hij de novelle Kapitein Zeiksnor & De Twee culturen, maar de tekst kan net zo goed als theatermonoloog fungeren. De kritiek was verrast, reageerde hoofdzakelijk positief, maar schatte Nasrs werk niet altijd juist in. Zo bestempelde Jos Joosten zijn poëzie, naar aanleiding van de bundel onhandig bloesemend (2004) als romantisch. Nasr schrijft glinsterende poëzie, schuwt de franjes niet, maar durft die ook met dwarse humor onderuit te halen. Dit is een dichter die de polsslag van zijn tijd goed aanvoelt, onrecht en verdrukking aanklaagt, zonder de bloedstroom van zijn voorgangers te vergeten. (…) Intussen zijn de politiek en de media tot het inzicht gekomen dat dichters ook denkers zijn en dat ze niet zomaar kunnen opgevoerd worden als de bard van dienst om feesten op te luisteren. Nasr heeft met onze-lieve-vrouwe-zeppelin een sterk staaltje van inburgering afgeleverd. (…) Nasr heeft voor zijn stadsgedichten al zijn zintuigen gebruikt. De gedichten over de huisjesmelkers en de kansarmen getuigen daarvan. Nasr is nergens pamflettair. Dat maakt zijn gedichten zo sterk. Nasr durft Antwerpen te bezingen en te verketteren, net zoals zijn grote voorbeeld Wannes Van de Velde.
NH Dagblad (GPD)
Door: Wim Vogel
Zijn essays en artikelen zijn wijze, humane analyses die je laten nadenken en die zich verre houden van demagogie. Een verademing voor een land als Nederland, waar ‘zestien miljoen eenmansfracties met een grote bek’ op vaak louter gevoelsmatige gronden zelf wel bepalen wat ze doen en laten.
In twee fraaie boeken bundelt Nasr zijn werk van de laatste jaren. (…) D(i)e gedichten licht hij uitgebreid toe met hun ontstaansgeschiedenis, hun ontvangst en met prachtige, veelal historische foto’s die de eeuwenoude geschiedenis van de Scheldestad verbinden met de actualiteit van Nasrs poëzie. Maar van Europees belang zijn z’n opiniestukken. (…) Wat zou het goed zijn als de Nederlandse volkshysterie (‘Van Gogh de Vrije, Pim de Profeet, Hazes de Volksheld, Gümüs de Lieve Illegaal, Joos & Joes van het Zinloos Geweld’), wat zou het goed zijn als die maar voortjakkerende slechte b-film nu eens zou worden ingeruild voor de intelligente betrokkenheid van Ramsey Nasr.
NRC Handelsblad
Door: Ilja Leonard Pfeijffer
‘Ik herinner mij een gesprek op het kabinet met de burgemeester en de schepen van cultuur, ten tijde van de heisa, waarbij op zeker ogenblik bloedserieus werd gesteld: “Het belangrijkste is nu dat er snel een gedicht komt”.’
Dit schrijft Ramsey Nasr, de Nederlandse dichter van Palestijnse afkomst, nu na afloop over het begin van zijn ambtsperiode als stadsdichter van Antwerpen, een functie die hij gedurende het jaar 2005 bekleedde. (…) Zelden is er zoveel politieke ophef ontstaan over een dichter. En ik denk dat het nooit is voorgekomen dat politici er in alle ernst op hebben aangedrongen een revolte te smoren met een gedicht. (…)
De twee bundels samen vormen een uniek document over een politiek beladen stadsdichterschap en geven een beklemmende impressie van de ongekende druk waaronder de dichter heeft moeten werken. Ze vormen verplichte literatuur voor ieder die wil weten wat er kan gebeuren wanneer poëzie wordt gedwongen zich met de politieke realiteit te verhouden. (…) Wie weet heeft van de achtergronden en de situatie waarin het tot stand is gekomen, kan niet anders dan concluderen dat ‘Stadsplant’, het eerste stadsdichtersgedicht, een erg moedig gedicht is. Hoewel een stad en een hele natie over zijn schouders meekijken, zwicht Nasr niet voor de verleiding hun harten te winnen door middel van onschadelijke populistische verstaanbaarheid. Integendeel. Hij schrijft een lang, kolkend, lyrisch gedicht vol valstrikken en valkuilen dat zich zeker niet gemakkelijk gewonnen geeft. (…) Het gedicht drijft op de dubbelzinnigheid van een liefdesverklaring aan een stad die hem bijna heeft willen verstoten. (…)
De poëtische vertaling van een gevoel van vervreemding en de liefdesverklaring van de dichter die door iedereen als buitenstaander wordt gezien, maakt dit tot een gedicht dat moedig is toegesneden op de aanleiding, maar ook tot een gedicht dat los van die aanleiding een goed gedicht is. Zo begon het moeilijkste stadsdichterschap glorieus. De toon wordt volgehouden in de overige stadsgedichten, die bij elkaar een rumoerig en dubbelzinnig portret geven van de stad die zo makkelijk te haten zou zijn als de dichter haar niet liefhad. We zullen er in dit stuk niet meer over kunnen spreken. U zult ze zelf lezen.
AD Magazine
Door: Menno Schenke
Ramsey Nasr een groot talent noemen, begint een cliché te worden. (…) Met twee nieuwe boeken laat hij zijn dat hij tot de scherpste schrijvers en beste dichters van ons taalgebied behoort. (…) Het zijn twee prachtige boeken van een belangrijke eigentijdse auteur. En dit moet ook gezegd: uiterst stijlvol vormgegeven door Vlaming Gert Dooreman.
De Standaard
Door: Marc Reynebeau
De zeppelin is de metafoor waarmee Nasr in zijn stadsgedichten zijn positie vastlegt. Nasr zag Antwerpen tevoren alleen als een tijdelijk ballingsoord en wil niet veinzen dat het stadsdichterschap hem meteen tot een sinjoor maakte. De zeppelin is zijn manier om de stad te ontstijgen, om beter te kunnen kijken – en luisteren. Zijn hoop is, net als zovelen die van overal in de stad aanspoelen en niet altijd welkom lijken, er ooit eens echt, samen met alle andere Antwerpenaren, te kunnen landen.
In veel van de meestal lange gedichten spreken veel stemmen tegelijk. Ze voelen zich, “I am sorry zenne”, verplicht om het te zeggen zoals het is. Ze doen dat met een stelligheid die vooral hun onzekerheid moet compenseren, als een scherm voor hun twijfels en voor een nostalgie naar een verleden dat ze vast veel fraaier voorstellen dan het ooit is geweest.
Deze gedichten zijn dan ook op hun best wanneer ze niet worden gelezen, maar beluisterd. Ze wemelen van de associaties en de referenties, zelfs al is het maar wanneer ze spelen met namen van straten en pleinen. Daardoor ontwikkelen de woorden een eigen dynamiek, nemen de zinnen een vlucht en gaan de gedichten inderdaad als een zeppelin zweven, gedragen door de muziek van de taal.