onhandig bloesemend (2004)
De Standaard
In 2000 denderde Ramsey Nasr de poëzie binnen met de bundel 27 gedichten & Geen lied. (…) Intussen is er een nieuwe bundel poëzie van hem uit: onhandig bloesemend. In de middelste van de drie afdelingen die deze bundel telt, ‘dichter liefde’, formuleert Nasr nog eens waarvoor hij staat in het gedicht ‘credo’:
geef mij het hoofd van de onnozel volhardende pletterloper
hij die hart op zwart cipres op rood dood op anijs laat rijmen
zijn uitpuilend gemoed weer bij elkaar raapt vooroverbukkend
en maar struikeltochten organiseren door op platgetreden paden
bananenrijm voor zich uit te werpen hij is onverstoorbaar
half en kreupel blijft hij het zijn toverkeien zeggen kijk maar
een slechte mop verteld door een dichter zoals hij tekeergaat
soms springt hij op grijpt zonder reden mis naar omhoog
soms ook niet soms niet en ik heb hem altijd ruim verkozen
wel duizend-en-één-voudig boven hollands koning schraalhans
met de dichtgeschroefd moderne stem aan zijn stekelige tafel
rolstoel en handrem heus ik zal mijzelf wel redden breken schaden
ook aan orakels in de orde van de chocoladeschijter heb ik hekel
bruine nijl gieten ze uit in eigen zekerheid de onwrikbare waan
een echte vaticaanse doos likeurbonbons te hebben banketgekakt
ik geloof
in fulpen bloembladen het kapotte karmijn van de avondschimmering
in de pronkgedwongen achterwaartse vlucht van de quetzal
zijn lange smaragdgroene staart onhandig stralend omwille van haar
in bespottelijke praalzucht bewijst hij diensten van leven op dood
en ik geloof in baarlijke liefde er staat wat er staat alsof het niets is
vergeleken bij liberiaanse rebellen is ook groepsverkrachting poëzie
aan schuim hecht ik in volle ijdelheid draag ik mijn nacht als een buidel
In de eerste strofen tekent Nasr de dichter die op zijn sympathie kan rekenen, met wie hij zich wellicht ook verwant voelt. Het is een wat naïeve dichter, die met al zijn inzet toch steeds weer tegen een muur loopt. Dat brengt hem echter niet tot bezinning. Hij volhardt onnozel in het gebruiken van clichérijmen (hart/zwart) of in het pogen dingen met elkaar te laten rijmen die samen een ongerijmdheid vormen, zoals de bittere dood met zoete anijs.
Nasr doet niet anders. Hij weet dat hij soms platgetreden paden bewandelt; sommige van zijn formuleringen schurken tegen de kitsch aan. Hij schrijft gerust ‘fulpen bloembladen’, ‘karmijn’, ‘pareltranendroppen’, ‘o volroze dageraad’, ‘weemoediglijk’, ‘smertendrang’ – woorden die alleen Jean Pierre Rawie nog zou gebruiken. Maar de dichter weet wat hij doet. Hij weet dat het ‘bananenrijm’ is en dat hij erover kan uitglijden, maar dat deert hem niet. Het gebruik van clichés is bij hem geen onmacht, maar hij kijkt tot waar hij het cliché kan oprekken, of hij kan laten zien dat het eigenlijk een toverkei is.
En ook het bij elkaar brengen van zaken die gewoonlijk niets met elkaar te maken hebben, gebeurt in onhandig bloesemend. Groepsverkrachting en poëzie, bijvoorbeeld, of liefde en verrotting. De dichter weet dat hij dan soms misgrijpt (volgens mij is groepsverkrachting nooit poëzie) maar vaak ook niet. Kenmerkend voor Nasrs poëzie is de totale inzet waarmee hij dicht, de grote gebaren die hij maakt. Dat kan niet altijd goed gaan, maar met zijn gedrevenheid komt hij de lezer dicht op de huid, grijpt hij hem bij de strot.
Ik kan me wel voorstellen dat in ‘credo’ deze poëzie verkozen wordt boven ‘hollands koning schraalhans’, poëzie waarin de handrem op het gevoel getrokken is, waar de stem niet voluit durft te brullen. Technisch goede poëzie misschien, maar tegelijk veilige poëzie waarin de dichter zich niet uitlevert aan de lezer.
Of boven de zelfingenomen poëzie, waarbij de dichter alles wat hij afscheidt als iets waardevols ziet. Eigenlijk is ook dat veilige poëzie: de dichter is zo zeker van zichzelf, dat hij niet meer geraakt kan worden door de reacties van anderen.
Nasr kiest voor iets anders. Hij kiest er niet alleen voor, hij gelooft erin, het is een credo, een levensovertuiging, hij staat ervoor. Met volle overtuiging en tegelijk in al zijn kwetsbaarheid. Uiteindelijk komt het neer op ‘baarlijke liefde’, onverholen liefde, zich ongeremd geven. Laat het maar schuim zijn, laat het maar ijdelheid zijn, laat het maar op de nacht uitlopen, de dichter koestert het.
Niet voor niets is ‘credo’ opgenomen in de cyclus ‘dichter liefde’, een serie gedichten die eigenlijk een liefdesgeschiedenis is, soms verteld in de ik-vorm, soms is de hoofdpersoon Frederik Wonderlik. De cyclus begint met een overrompelende verliefdheid (‘dat was in de wonderbaarlijke maand / van bloesemingen en overvloed / toen mijn borstkas opstoof als papaver’) en het eindigt zoals alles in dit leven eindigt (‘frederik wonderlik was feilloos / op slag een sterveling geworden’). Toch staat vlak voor het einde van de cyclus dit ‘credo’, waarin niet alleen het geloof in een bepaald soort poëzie, maar ook het geloof in de liefde beleden wordt, ook als een relatie eindig is, ook als het leven eindig is.
NRC Handelsblad
Door: Arie van den Berg
De helft van zijn debuutbundel vulde Nasr met de monoloog ‘Geen lied’. Poëzie en toneeltekst vielen daarin als vanzelfsprekend samen. De dichter bracht zijn tekst ook op het podium en de waardering was op beide fronten groot. De poëziebundel kreeg een nominatie voor de Buddingh’-prijs, de toneeltekst en de voordracht daarvan werden bekroond met de Taalunie Toneelschrijfprijs en de Mary Dresselhuysprijs, en de acteur zag zich genomineerd voor de Louis d’Or 2000. (…) Het lijkt allemaal te veel van het goede. Bij zo veel zegepraal is de blik geneigd zich met argwaan te vullen. Maar die argwaan is onterecht. In onhandig bloesemend toont Ramsey Nasr zich onverdacht dichter. Opnieuw speelt hij leentjebuur bij het toneelidioom en schijnbaar terloops ook bepotelt hij het territorium van de componist, maar het resultaat van die omzwervingen is tintelende poëzie. Zijn gedicht ‘wonderbaarlijke maand’ is een treffend voorbeeld:
dat was in de wonderbaarlijke maand
van bloesemingen en overvloed
toen mijn borstkas opstoof als papaver
ribben in sierpennen uitwaaierden
mei mijn magere taal openbrak
vergelijkingen vrat als vuur water
ik schaamde mij diep naar poldergewoonte
in loden jas tussen druppel en wind
ongevoelig bij takken struikgewas doornen
had ik licht opgevat
ik wreef haar in
en doorzichtig vernederend fonkelniezen
kwam over mij o wonder daar ging ik
men zou van minder uit schamen gaan
maar dit was mijn ziekte baarlijke liefde
Indrukwekkender nog vind ik de cyclus ‘wintersonate’. Voor deze vijfentwintig pagina’s lange reeks baseerde Nasr zich op de altvioolsonate die Sjostakovitsj op zij sterfbed schreef. De cyclus heeft ook de indeling van een sonate; hij opent met een moderato, gaat in allegretto verder en eindigt in een adagio. Als toegift volgt een kort commentaar op de dood van de componist.
Twee elementen maken deze cyclus zo bijzonder als ze is: de toonzetting van de taal en de inhoud. Waar Nasr overgaat van het moderato naar het allegretto wisselt zijn melodie van tempo, en bij de overgang naar het adagio gebeurt dit opnieuw. Hier toont zich de theaterman die weet hoe taal het oor van het publiek bespelen kan. Maar ook de historische bagage van Nasr is niet mis. De tekst van ‘wintersonate’ weerspiegelt even kleur- als klankrijk het culturele klimaat van de toenmalige Sovjet-Unie. De strofen komen uit de mond van de stervende Sjostakovitsj, maar Nasr monterde ze tot een prangende collage met hoogtepunten als
soms wilde ik dat ik als een lelie
op de brede tafel van stalin kon staan
me optrekkend vanuit de vaas
hem monsterend op afstand
mijn kleine tuinman in de stoel
mijn slechtgeschapen bloemloze plant
hem te beschouwen
en compleet te negeren
Het is de taal van een monoloog, maar ook op papier beklijven de woorden. Nasrs krachtige, op het podium geschoolde dictie schraapt de keel van de poëzie.
De Volkskrant
Door: Piet Gerbrandy
Met onhandig bloesemend bewijst hij een dichter van formaat te zijn. (…)
De kern van de bundel, een zestien gedichten tellende reeks onder de riskante titel ‘dichter liefde’, is (…) ronduit schitterend. Hier weet Nasr het onhandig bloesemen tot virtuositeit te verheffen door schijnbaar teugelloze lyriek krachtig naar zijn hand te zetten. (…)
Deze poëzie fonkelt en bruist, zwelgt in tierlantijnen die vervolgens weer genadeloos worden afgeserveerd en durft woorden als ‘ziel’ en ‘hart’ in te zetten zonder dat het belachelijk wordt. Regels als ‘wie draagt er vandaag nog kabeljauwen’ en ‘er werd met troost geklaverjast in die dagen’ verdienen het door iedere lezer gememoriseerd te worden. Zo klinkt ware poëzie.