HOMENIEUWSBIOGRAFIEBIBLIOGRAFIEFRAGMENTENPERSLINKSCONTACTDICHTER DES VADERLANDS
Elsevier
 
Door: Jan Paul Bresser

Zijn vader is een Palestijn, zijn moeder Rotterdamse, hij heet Ramsey Nasr, is 25 jaar en brengt de lier terug in de Nederlandse poëzie. Ja, de lier. Dat klassieke snaarinstrument, ooit bespeeld door Apollo zelf en vele eeuwen een zinnebeeld van de dichtkunst. (…)
Ramsey Nasr herontdekt met de lier de lyriek, gedreven, verbazend muzikaal soms en authentiek van toon. Zijn zojuist verschenen debuutbundel 27 gedichten & Geen lied is – bij veel meer – een ode aan de beweeglijkheid van de Nederlandse taal.
Al lezend wordt het snel duidelijk. Ramsey Nasr zou – vrij van dwangmatig experiment en galmende retorica – het liefst ‘groots en meeslepend’ willen leven, als ooit de dichter Marsman. Dat lukt hem niet, er staan ook voor hem weer wetten in de weg. Toch zoekt hij – jong als hij is – naar ruimte in een benauwde tijd, om zijn stem tegen alles in toch te laten klinken. Eerst als acteur overigens, en nu als dichter. En ook als twee-eenheid, want van wat hij schrijft heeft hij een voorstelling gemaakt. Met het lange gedicht Geen lied staat hij in het theater. Hij raakt zijn publiek, net als zijn lezers, in het hart, juist door het ontbreken van pretenties of vals sentiment.
Dat was meteen duidelijk toen hij, nauwelijks twintig jaar, in 1995 met zijn eerste theatersolo De doorspeler te voorschijn kwam. Ontroering was de reactie en veel applaus. Als een komeet schoot hij omhoog: twee jaar later was hij al een kwetsbare Romeo naast Julia op de grote podia van het beroepstoneel. Sindsdien ontdekt ook de film hem en probeert hem in te lijven, vanwege zijn geweldige présence.
Ramsey Nasr zelf neemt op het ogenblik enige afstand van het grote podium. Hij schrijft liever, zegt hij zelf, in plaats van onophoudelijk van de ene voorstelling in de andere te rollen. Dat schrijven – zo blijkt nu – onthult zijn dubbeltalent. Hij voegt zich met een zeker gemak, lijkt het, in het poëtisch universum. Hij vindt in veel van zijn gedichten een ritme dat het klassieke metrum, bijna als vanzelfsprekend, verbindt met een eigentijdse verstaanbaarheid. Maar het is vooral het melodieuze dat opvalt.
Het lied is terug, het zingt in zijn gedichten. (…) Wat een stem.


over
27 gedichten & Geen lied (2000)