Door: Arie van den BergDe helft van zijn debuutbundel vulde Nasr met de monoloog ‘Geen lied’. Poëzie en toneeltekst vielen daarin als vanzelfsprekend samen. De dichter bracht zijn tekst ook op het podium en de waardering was op beide fronten groot. De poëziebundel kreeg een nominatie voor de Buddingh’-prijs, de toneeltekst en de voordracht daarvan werden bekroond met de Taalunie Toneelschrijfprijs en de Mary Dresselhuysprijs, en de acteur zag zich genomineerd voor de Louis d’Or 2000. (…) Het lijkt allemaal te veel van het goede. Bij zo veel zegepraal is de blik geneigd zich met argwaan te vullen. Maar die argwaan is onterecht. In onhandig bloesemend toont Ramsey Nasr zich onverdacht dichter. Opnieuw speelt hij leentjebuur bij het toneelidioom en schijnbaar terloops ook bepotelt hij het territorium van de componist, maar het resultaat van die omzwervingen is tintelende poëzie. Zijn gedicht ‘wonderbaarlijke maand’ is een treffend voorbeeld:
dat was in de wonderbaarlijke maand
van bloesemingen en overvloed
toen mijn borstkas opstoof als papaver
ribben in sierpennen uitwaaierden
mei mijn magere taal openbrak
vergelijkingen vrat als vuur water
ik schaamde mij diep naar poldergewoonte
in loden jas tussen druppel en wind
ongevoelig bij takken struikgewas doornen
had ik licht opgevat
ik wreef haar in
en doorzichtig vernederend fonkelniezen
kwam over mij o wonder daar ging ik
men zou van minder uit schamen gaan
maar dit was mijn ziekte baarlijke liefde
Indrukwekkender nog vind ik de cyclus ‘wintersonate’. Voor deze vijfentwintig pagina’s lange reeks baseerde Nasr zich op de altvioolsonate die Sjostakovitsj op zij sterfbed schreef. De cyclus heeft ook de indeling van een sonate; hij opent met een moderato, gaat in allegretto verder en eindigt in een adagio. Als toegift volgt een kort commentaar op de dood van de componist.
Twee elementen maken deze cyclus zo bijzonder als ze is: de toonzetting van de taal en de inhoud. Waar Nasr overgaat van het moderato naar het allegretto wisselt zijn melodie van tempo, en bij de overgang naar het adagio gebeurt dit opnieuw. Hier toont zich de theaterman die weet hoe taal het oor van het publiek bespelen kan. Maar ook de historische bagage van Nasr is niet mis. De tekst van ‘wintersonate’ weerspiegelt even kleur- als klankrijk het culturele klimaat van de toenmalige Sovjet-Unie. De strofen komen uit de mond van de stervende Sjostakovitsj, maar Nasr monterde ze tot een prangende collage met hoogtepunten als
soms wilde ik dat ik als een lelie
op de brede tafel van stalin kon staan
me optrekkend vanuit de vaas
hem monsterend op afstand
mijn kleine tuinman in de stoel
mijn slechtgeschapen bloemloze plant
hem te beschouwen
en compleet te negeren
Het is de taal van een monoloog, maar ook op papier beklijven de woorden. Nasrs krachtige, op het podium geschoolde dictie schraapt de keel van de poëzie.