Door: Teunis BuntIn 2000 denderde Ramsey Nasr de poëzie binnen met de bundel 27 gedichten & Geen lied. (…) Intussen is er een nieuwe bundel poëzie van hem uit: onhandig bloesemend. In de middelste van de drie afdelingen die deze bundel telt, ‘dichter liefde’, formuleert Nasr nog eens waarvoor hij staat in het gedicht ‘credo’:
geef mij het hoofd van de onnozel volhardende pletterloper
hij die hart op zwart cipres op rood dood op anijs laat rijmen
zijn uitpuilend gemoed weer bij elkaar raapt vooroverbukkend
en maar struikeltochten organiseren door op platgetreden paden
bananenrijm voor zich uit te werpen hij is onverstoorbaar
half en kreupel blijft hij het zijn toverkeien zeggen kijk maar
een slechte mop verteld door een dichter zoals hij tekeergaat
soms springt hij op grijpt zonder reden mis naar omhoog
soms ook niet soms niet en ik heb hem altijd ruim verkozen
wel duizend-en-één-voudig boven hollands koning schraalhans
met de dichtgeschroefd moderne stem aan zijn stekelige tafel
rolstoel en handrem heus ik zal mijzelf wel redden breken schaden
ook aan orakels in de orde van de chocoladeschijter heb ik hekel
bruine nijl gieten ze uit in eigen zekerheid de onwrikbare waan
een echte vaticaanse doos likeurbonbons te hebben banketgekakt
ik geloof
in fulpen bloembladen het kapotte karmijn van de avondschimmering
in de pronkgedwongen achterwaartse vlucht van de quetzal
zijn lange smaragdgroene staart onhandig stralend omwille van haar
in bespottelijke praalzucht bewijst hij diensten van leven op dood
en ik geloof in baarlijke liefde er staat wat er staat alsof het niets is
vergeleken bij liberiaanse rebellen is ook groepsverkrachting poëzie
aan schuim hecht ik in volle ijdelheid draag ik mijn nacht als een buidel
In de eerste strofen tekent Nasr de dichter die op zijn sympathie kan rekenen, met wie hij zich wellicht ook verwant voelt. Het is een wat naïeve dichter, die met al zijn inzet toch steeds weer tegen een muur loopt. Dat brengt hem echter niet tot bezinning. Hij volhardt onnozel in het gebruiken van clichérijmen (hart/zwart) of in het pogen dingen met elkaar te laten rijmen die samen een ongerijmdheid vormen, zoals de bittere dood met zoete anijs.
Nasr doet niet anders. Hij weet dat hij soms platgetreden paden bewandelt; sommige van zijn formuleringen schurken tegen de kitsch aan. Hij schrijft gerust ‘fulpen bloembladen’, ‘karmijn’, ‘pareltranendroppen’, ‘o volroze dageraad’, ‘weemoediglijk’, ‘smertendrang’ – woorden die alleen Jean Pierre Rawie nog zou gebruiken. Maar de dichter weet wat hij doet. Hij weet dat het ‘bananenrijm’ is en dat hij erover kan uitglijden, maar dat deert hem niet. Het gebruik van clichés is bij hem geen onmacht, maar hij kijkt tot waar hij het cliché kan oprekken, of hij kan laten zien dat het eigenlijk een toverkei is.
En ook het bij elkaar brengen van zaken die gewoonlijk niets met elkaar te maken hebben, gebeurt in onhandig bloesemend. Groepsverkrachting en poëzie, bijvoorbeeld, of liefde en verrotting. De dichter weet dat hij dan soms misgrijpt (volgens mij is groepsverkrachting nooit poëzie) maar vaak ook niet. Kenmerkend voor Nasrs poëzie is de totale inzet waarmee hij dicht, de grote gebaren die hij maakt. Dat kan niet altijd goed gaan, maar met zijn gedrevenheid komt hij de lezer dicht op de huid, grijpt hij hem bij de strot.
Ik kan me wel voorstellen dat in ‘credo’ deze poëzie verkozen wordt boven ‘hollands koning schraalhans’, poëzie waarin de handrem op het gevoel getrokken is, waar de stem niet voluit durft te brullen. Technisch goede poëzie misschien, maar tegelijk veilige poëzie waarin de dichter zich niet uitlevert aan de lezer.
Of boven de zelfingenomen poëzie, waarbij de dichter alles wat hij afscheidt als iets waardevols ziet. Eigenlijk is ook dat veilige poëzie: de dichter is zo zeker van zichzelf, dat hij niet meer geraakt kan worden door de reacties van anderen.
Nasr kiest voor iets anders. Hij kiest er niet alleen voor, hij gelooft erin, het is een credo, een levensovertuiging, hij staat ervoor. Met volle overtuiging en tegelijk in al zijn kwetsbaarheid. Uiteindelijk komt het neer op ‘baarlijke liefde’, onverholen liefde, zich ongeremd geven. Laat het maar schuim zijn, laat het maar ijdelheid zijn, laat het maar op de nacht uitlopen, de dichter koestert het.
Niet voor niets is ‘credo’ opgenomen in de cyclus ‘dichter liefde’, een serie gedichten die eigenlijk een liefdesgeschiedenis is, soms verteld in de ik-vorm, soms is de hoofdpersoon Frederik Wonderlik. De cyclus begint met een overrompelende verliefdheid (‘dat was in de wonderbaarlijke maand / van bloesemingen en overvloed / toen mijn borstkas opstoof als papaver’) en het eindigt zoals alles in dit leven eindigt (‘frederik wonderlik was feilloos / op slag een sterveling geworden’). Toch staat vlak voor het einde van de cyclus dit ‘credo’, waarin niet alleen het geloof in een bepaald soort poëzie, maar ook het geloof in de liefde beleden wordt, ook als een relatie eindig is, ook als het leven eindig is.