Door: Ilja Leonard Pfeijffer‘Ik herinner mij een gesprek op het kabinet met de burgemeester en de schepen van cultuur, ten tijde van de heisa, waarbij op zeker ogenblik bloedserieus werd gesteld: “Het belangrijkste is nu dat er snel een gedicht komt”.’
Dit schrijft Ramsey Nasr, de Nederlandse dichter van Palestijnse afkomst, nu na afloop over het begin van zijn ambtsperiode als stadsdichter van Antwerpen, een functie die hij gedurende het jaar 2005 bekleedde. (…) Zelden is er zoveel politieke ophef ontstaan over een dichter. En ik denk dat het nooit is voorgekomen dat politici er in alle ernst op hebben aangedrongen een revolte te smoren met een gedicht. (…)
De twee bundels samen vormen een uniek document over een politiek beladen stadsdichterschap en geven een beklemmende impressie van de ongekende druk waaronder de dichter heeft moeten werken. Ze vormen verplichte literatuur voor ieder die wil weten wat er kan gebeuren wanneer poëzie wordt gedwongen zich met de politieke realiteit te verhouden. (…) Wie weet heeft van de achtergronden en de situatie waarin het tot stand is gekomen, kan niet anders dan concluderen dat ‘Stadsplant’, het eerste stadsdichtersgedicht, een erg moedig gedicht is. Hoewel een stad en een hele natie over zijn schouders meekijken, zwicht Nasr niet voor de verleiding hun harten te winnen door middel van onschadelijke populistische verstaanbaarheid. Integendeel. Hij schrijft een lang, kolkend, lyrisch gedicht vol valstrikken en valkuilen dat zich zeker niet gemakkelijk gewonnen geeft. (…) Het gedicht drijft op de dubbelzinnigheid van een liefdesverklaring aan een stad die hem bijna heeft willen verstoten. (…)
De poëtische vertaling van een gevoel van vervreemding en de liefdesverklaring van de dichter die door iedereen als buitenstaander wordt gezien, maakt dit tot een gedicht dat moedig is toegesneden op de aanleiding, maar ook tot een gedicht dat los van die aanleiding een goed gedicht is. Zo begon het moeilijkste stadsdichterschap glorieus. De toon wordt volgehouden in de overige stadsgedichten, die bij elkaar een rumoerig en dubbelzinnig portret geven van de stad die zo makkelijk te haten zou zijn als de dichter haar niet liefhad. We zullen er in dit stuk niet meer over kunnen spreken. U zult ze zelf lezen.