Door: Paul DemetsDe controverse rond Ramsey Nasr heeft de politiek en de media duidelijk gemaakt dat dichters niet zomaar teksten afleveren als ‘tijdverdrijf voor enkele fijne luiden’, maar dat ze wel degelijk iets te vertellen hebben.
Nog voor Ramsey Nasr in 2005 stadsdichter van Antwerpen werd, zorgde hij al voor aangename verwarring. Hij debuteerde in 2000 met 27 Gedichten & Geen lied. De laatste tekst, ‘Geen lied’, is een lang episch gedicht, maar het zou ook een theatermonoloog kunnen zijn. En als er al één overkoepelend kenmerk voor Nasrs gedichten is, dan wel dat zijn poëzie heel muzikaal is. Nasr gebruikt een klassiek metrum, maar geeft daar een eigentijdse draai aan. In 2001 publiceerde hij de novelle Kapitein Zeiksnor & De Twee culturen, maar de tekst kan net zo goed als theatermonoloog fungeren. De kritiek was verrast, reageerde hoofdzakelijk positief, maar schatte Nasrs werk niet altijd juist in. Zo bestempelde Jos Joosten zijn poëzie, naar aanleiding van de bundel onhandig bloesemend (2004) als romantisch. Nasr schrijft glinsterende poëzie, schuwt de franjes niet, maar durft die ook met dwarse humor onderuit te halen. Dit is een dichter die de polsslag van zijn tijd goed aanvoelt, onrecht en verdrukking aanklaagt, zonder de bloedstroom van zijn voorgangers te vergeten. (…) Intussen zijn de politiek en de media tot het inzicht gekomen dat dichters ook denkers zijn en dat ze niet zomaar kunnen opgevoerd worden als de bard van dienst om feesten op te luisteren. Nasr heeft met onze-lieve-vrouwe-zeppelin een sterk staaltje van inburgering afgeleverd. (…) Nasr heeft voor zijn stadsgedichten al zijn zintuigen gebruikt. De gedichten over de huisjesmelkers en de kansarmen getuigen daarvan. Nasr is nergens pamflettair. Dat maakt zijn gedichten zo sterk. Nasr durft Antwerpen te bezingen en te verketteren, net zoals zijn grote voorbeeld Wannes Van de Velde.