Uit 27 Gedichten & Geen lied (2000) |
|
|
Fragment 1 uit Geen lied |
| | (…) De lier telt zeven snaren. Elke snaar Is een planeet. Zeven planeten had ik. Zeven planeten draaiden rondom mij Met daaromheen een zwarte koepelbol Die alles afsloot, maar niet helemaal; Er zaten gaten in, duizenden sterren Als venstertjes naar buiten op het vuur. Zeven sirenen ook en hoe dat kon, En of ze echt meesuisden met de planeten, Zijn vragen die ik mij nooit heb gesteld, Omdat ik ze alle dagen horen kon: Vrouwen met baarden, met vogellichamen En klauwen die zich in hun vaart als klem Vast konden zetten aan de hemelbanen. Elke sirene zong strak aangehouden Een toon. Zeven sirenen, zeven tonen, Een huiverend akkoord van zonnestralen Of licht. Iets dergelijks. Zuiver geluid Onder een tweemaal kolossale koepel, Waardoor mijn snaren als vanzelf aanvingen Te trillen. Ik hoefde maar mee te zingen. Wanneer ik zong, zwermden de vogels uit; Niet slechts bijzondere, maar alle soorten Krioelden om mijn hoofd, ik weet niet hoe. Bijen, libellen, wespen, horzels, kevers Voerden fantastische figuren uit, Achter elkaar, als danspassen op lucht. Grote dieren kwamen op mij af, Namen mij op de rug en luisterden, Terwijl ze ruimte lieten voor de bomen, Die langzaam dichterbij geschuifeld waren. Zelfs rotsen bogen voorzover dat kon Hun oren naar ons toe. Niet allemaal: Er waren er die onbewogen stonden En toekeken hoe bovenop de bergen De sneeuw aan het wegsmelten was begonnen En de rivieren weer in gang zette, Die stilgehouden hadden in stroom, Terwijl erboven alle bruggen golfden. Dat was ik, ik de half-begaafde zanger. Een wonder was het niet. Ik stond erbij, Iedere keer opnieuw (…)
|
|
|
 |
 |
|